- doel·wit
- samenstellingvandoelenwit [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | doelwit | doelwitten |
| verkleinwoord | doelwitje | doelwitjes |
hetdoelwito
- het punt waarop men zijn schiettuig richt
- Het schot ging net naast het doelwit.
- meer figuurlijk: het punt waarop men iets richt
- Hij was altijd het doelwit van pesterijen.
- ▸Ik rende hard weg maar werd achtervolgd door een zwerm zwarte insecten. Pas 100 meter verder durfde ik te stoppen om de schade op te nemen. Vooral mijn linkerkuit was het doelwit geweest en werd met de minuut dikker en pijnlijker.[2]
- Het woord doelwit staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "doelwit" herkend door:
| 99% | van de Nederlanders; |
| 100% | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ doelwit op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest(2018), Fontaine Uitgevers 👁 op Wikipedia
- ↑ 👁 Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Overgenomen van "https://nl.wiktionary.org/w/index.php?title=doelwit&oldid=5479558"
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %
