- ge·tin·gel
- Naamwoord van handeling van tingelen met het voorvoegsel ge-
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | getingel | |
| verkleinwoord |
hetgetingelo
- voortdurend een geluid maken dat lijkt op het klingelen van een klein klokje
- Op schepen lijkt de heleboel op hol, steeds het getingel van de machinekamertelegraaf. [1]
- De historische gegevens lardeert Pilon met jeugdherinneringen van dertien bewoners en oud-bewoners van de bekendste Veenendaalse straat. Ook eigen herinneringen haalt hij aan. Zo zijn hem geluiden van weleer bijgebleven: het geloei van de koeien die vroeger achter de huizen liepen, de stoomfluiten van de fabrieken en het getingel van de fietsbellen van de fabrieksarbeiders. [2]
- Het woord getingel staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "getingel" herkend door:
| 86% | van de Nederlanders; |
| 77% | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Tubantia 03-02-14 Odes aan Hennie Kuiper: de inzendingen
- ↑ Reformatorisch Dagblad Jan Kas 24-12-2015 Jaap Pilon vat historie Kerkewijk Veenendaal samen in boek
- ↑ 👁 Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Overgenomen van "https://nl.wiktionary.org/w/index.php?title=getingel&oldid=4811778"
Verborgen categorieën:
