- schla·gen
- Afleiding uit het Middelhooguits en Oudhoogduits. Protogermaans: *slahan-
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schlagen |
schlug |
(hat) geschlagen |
| volledig | ||
schlagen
- overgankelijk slaan
- overgankelijk meppen, ranselen
- overgankelijk afranselen
- overgankelijk vechten
- overgankelijk verslaan
- [2]: hauen
- [2]: verkloppen
- [2]: prügeln
- [3]: verprügeln
- [4]: kämpfen
- [5]: besiegen
- [1]:einen Nagel in die Wand schlagen
een spijker in de muur slaan
- [1]:jemandem mit der Hand ins Gesicht schlagen
iemand met de hand in het gezicht slaan
Overgenomen van "https://nl.wiktionary.org/w/index.php?title=schlagen&oldid=5300545"
