- suc·cumb
- Afkomstig van het Latijnse woord succumbere.
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to succumb |
| he/she/it | succumbs |
| verleden tijd | succumbed |
| voltooid deelwoord |
succumbed |
| onvoltooid deelwoord |
succumbing |
| gebiedende wijs | succumb |
succumb
- onovergankelijk zwichten, onderworpen zijn aan
- «Artists of all nations succumb to its charm.»
- Kunstenaars van alle naties zijn aan charme onderworpen.
- «Artists of all nations succumb to its charm.»
- onovergankelijk bezwijken
- «Each year a few dozen people succumb to tetanus in Poland.»
- Elk jaar bezwijken tientallen mensen aan tetanus in Polen.
- «Each year a few dozen people succumb to tetanus in Poland.»
- [1] to capitulate
- [2] to die
Overgenomen van "https://nl.wiktionary.org/w/index.php?title=succumb&oldid=3421665"
