- voor·werk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | voorwerk | voorwerken |
| verkleinwoord |
hetvoorwerko
- voorbereidende activiteiten
- Als je al het voorwerk goed gedaan hebt hoef je op de dag zelf niet zo te stressen.
- deel van een vesting dat buiten de hoofdwal en de glacis ligt maar nog wel kan profiteren van ondersteunend vuur
| vervoeging van |
|---|
| voorwerken |
voorwerk
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorwerken
- ... dat ik voorwerk.
- Het woord voorwerk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "voorwerk" herkend door:
| 97% | van de Nederlanders; |
| 71% | van de Vlamingen.[1] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ 👁 Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Overgenomen van "https://nl.wiktionary.org/w/index.php?title=voorwerk&oldid=4799541"
