![]() |
VOOZH | about |
Een muziekstuk heeft een bepaalde maat met daarbij een ritme. Beide begrippen horen bij elkaar, maar zijn toch iets verschillend:
Bij verschillende dansvormen heeft het ritme een belangrijke invloed op de passen die je maakt. Zo heeft de tango na de eerste maat een tussenstap op de eerste tel, een huppel zeg maar: ta, ta, ta, ta, tada, ta, ta, ta, tada, ta, ta, ta enzovoorts.
Bovenstaande voorbeelden zijn allemaal vier-kwarts maten. In een hele maat heb je vier tellen. Op bladmuziek wordt dat aangegeven als 4/4.
Bij een wals (Engelse wals of een Weense wals) is er sprake van 3 tellen in een maat. De drie-kwarts maat. Op bladmuziek wordt dat aangeven met 3/4. Je telt dus 1, 2, 3, 1, 2, 3. In de dans krijg je dan stap, stap, stap.
Verder heb je nog de twee-kwarts maat. Dit is zoals je dat bij rennen hebt: 1, 2, 1, 2, 1, 2. Op bladmuziek wordt dat aangegeven als 2/4. Een ritmevariant hierop is de draf van een paard: ra-ta-plof, ra-ta-plof. Dat is zeg maar kort-kort-lang, kort-kort-lang, waarbij de beide korten een halve tel zijn en de plof een hele tel, samen twee tellen.
Bij de maat heb je een accent moment, zeg maar het moment waarop je heel even ademhaalt. 1, 2, 3, 4, ademteug, 2, 3, 4 enzovoorts. In dit voorbeeld ligt het accent op de eerste tel. Een dirigent maakt bij het slaan van de maat hier ook gebruik van. Dat noem je dirigeren.
Er zijn meer maten, maar dan wordt het al snel ingewikkeld. Daarom is dirigeren best wel een moeilijk vak. Want het is niet alleen de maat aangeven, je moet op nog veel meer dingen letten. Hieronder zie je de beweging die de dirigent maakt met zijn baton (stokje) om de maat te slaan.