![]() |
VOOZH | about |
School is een instelling of organisatie die onderwijs geeft. Het gebouw waar lesgegeven wordt ook vaak een school genoemd. Er zijn diverse soorten scholen. Vaak is er ook een verschil per land. In de meeste landen moet ieder kind naar school voor een "basiskennis", zoals rekenen, spelling en geschiedenis. In sommige armere landen is dit niet zo (of wordt hier niet op gecontroleerd) en moeten kinderen werken. In deze landen kunnen mensen school niet betalen.
Een school bestaat bekend uit meerdere klassen. Op de basisschool heeft men deze klassen of groepen naar leerjaar ingericht. Vaak blijven de kinderen grotendeels in hetzelfde lokaal en hebben één juf of meester (in sommige gevallen twee). Op de middelbare school zijn de klassen ook naar leerjaar ingericht, maar ook naar vak. De leerlingen wisselen vaak van klas voor iedere les die ze hebben en hebben ook verschillende leraren (docenten). Een juf, meester of docent geeft uitleg en opdrachten. Ook houdt hij/zij orde in de klas en geeft huiswerk op. Leerlingen kunnen ook aan de leraar extra uitleg vragen, zoals bij een moeilijke som.
Naast lesgeven is een school ook een sociale omgeving. Veel leerlingen maken vrienden en vriendinnen op school. Zij spelen met elkaar of spreken na schooltijd af. Veel scholen organiseren daarnaast nog evenementen, zoals themaweken, een schoolreisje of uitjes. Op een basisschool heeft iedere leerling een eigen tafel met een laadje of kastje. Op een middelbare school is dit niet zo. Iedere leerling heeft dan wel een locker en soms is er een plattegrond voor hoe de leerlingen in een lokaal moeten zitten.
Daarnaast wordt een school nog gebruikt om specifieke dingen te leren, zoals een hobby (de muziekschool), zwemmen (de zwemschool) of autorijden (de rijschool).
Vroeger hadden kinderen geen pennen en schriften. Zij schreven toen met een griffel op een lei. Een lei was gemaakt van een bepaald soort steen. Er zat een houten lijst omheen. De griffel was een soort krijtje. Ieder kind had een eigen lei, griffel en sponzendoos. In die doos zat een vochtig sponsje. Daarmee kon je fouten wegvegen of je lei schoon maken als hij vol was.
Later kwamen er wel schriften en kroontjespennen. Een kroontjespen lijkt een beetje op een vulpen. Alleen kon er in een kroontjespen geen vulling of inktpatroon. Daarom zat er in elke schoolbank een potje met inkt. Over het potje zat een schuifje. Als je niet aan het schrijven was moest dat dicht. Anders kon het gebeuren dat het inktpotje omviel. Als dat omgevallen was kon je de inkt moeilijk schoonmaken. Iedereen had ook een inktlap. Daaraan veegde je de kroontjespen af als je klaar was.
Nu beginnen kinderen in groep drie met schrijven met een potlood en hebben ze een gum als ze een foutje maken. Als ze goed kunnen schrijven met een gum mogen de kinderen gaan schrijven met een vulpen of soms een balpen.
Vroeger kregen de meisjes andere lessen dan de jongens. De meisjes leerden breien en naaien. Als je acht jaar was moest je een sok kunnen breien en gaten kunnen stoppen. Jongens hadden vaker gym, dit gebeurde op het schoolplein want een gymzaal was er toen nog niet. Ook kregen jongens vaak techniekles. Hier leerden ze hoe ze moesten zagen en timmeren.
Nu hebbben alle leerlingen op de basisschool dezelfde vakken en zitten jongens en meisjes bij elkaar in de klas. Alle meisjes doen mee met gymlessen en techniek en alle jongens doen mee met knutselactiviteiten.
In de klas hadden ze vroeger geen verwarming. Er stond een kachel in de klas waar kolen in werden gestookt. Vroeger waren er vaak jongens die wat eerder naar school kwamen om de kachel te vullen of om het as weg te brengen. Daarvoor kregen zij dan een paar centen per dag.
De ramen van de klas zaten vroeger hoog zodat er moeilijk naar buiten gekeken kon worden. Ook zaten de kinderen met z’n tweeën of vieren naast elkaar in banken die niet makkelijk verplaatst konden worden.
De leerlingen zitten nu vaak in groepjes en kunnen de tafels en stoelen makkelijk verplaatst worden als er meer ruimte nodig is in de klas. Ook hoeven de kinderen niet meer te zorgen voor kolen voor in de kachel. We hebben nu mooie verwarmingen aan de muur hangen die met een knop open en dicht gedraaid kunnen worden.
Vroeger was er nog geen digibord in de klas. Kinderen leerden lezen met een leesplankje. Het bekendste leesplankje in Nederland is het leesbordje van Jan Lighthart. Misschien ken je het wel? Het leesbordje begint met aap, noot, mies. De juf of meester las de woordjes voor en de kinderen zeiden de woordjes na. Ook konden ze geen filmpjes kijken in de klas. In plaats van een digibord was er een radio in de klas waarop ze hoorspelen konden luisteren. Een hoorspel is een verhaal dat verteld wordt op de radio en waar geluiden bij gemaakt worden.
Vroeger waren er op school ook andere regels dan nu. Vroeger mocht je bijvoorbeeld nooit de juf of meester tegenspreken. Je moest opstaan als de juf of meester binnenkwamen en je moest rechtop zitten. Als je straf kreeg, moest je een bord voor waarop ezel stond geschreven of ezelsoren op en dan in de hoek van de klas gaan staan. Zodat iedereen je daar kon zien. Als je echt stout was dan kon je zelfs wel eens naar het kolenhok gestuurd worden.
Net zoals nu, mocht je vroeger ook niet pesten. Jongens trokken meisjes vroeger nog wel eens aan hun vlechten of ze schreven briefjes die door werden gegeven. Als de juf of meester dit zag, kreeg je een tik op je vingers met een liniaal of je moest heel veel strafwerk schrijven. Nu moet je ook nog wel eens strafwerk schrijven of de juf gaat met je praten na schooltijd. Een tik met een liniaal dat mag jouw juf of meester nu echt niet meer doen. Dat is nu verboden.
Vroeger had je 2 soorten scholen. Je had een armenschool en een burgerschool. Kinderen van rijke ouders gingen naar de burgerschool en de arme kinderen gingen naar de armenschool. De armenschool was gratis. Voor de burgerschool moest je schoolgeld betalen.
In Nederland gaan kinderen eerst naar de basisschool. Dit gebeurt tussen hun 4e en 12e jaar. Rond hun vierde verjaardag gaan kinderen naar groep 1. Afhankelijk wanneer hun verjaardag is, doen ze één of twee keer groep 2. In groep 1 en 2 ligt de nadruk vooral op samenspelen, maar vanaf groep 3 zitten de leerlingen achter tafeltjes en hebben normalere lessen.
De groepen zijn als volgt:
In tegenstelling tot Vlaanderen heeft Nederland geen kleuterschool. Tot 1985 had Nederland wél een kleuterschool. In plaatsen van groepen waren er toen klassen. Groep 3 was 1e klas en groep 8 de 6e klas. In 1985 zijn de kleuter- en basisschool samengevoegd.
Hoewel men in Nederland vanaf 4 jaar leerplichtig is, kiezen sommige ouders ervoor om hun kinderen enkele dagen per week naar de peuterspeelzaal te sturen. Dit is voor kinderen vanaf 2 jaar. De peuterspeelzaal is niet verplicht, maar wordt gedaan om kinderen met andere kinderen leren om te gaan. Ook is de peuterspeelzaal goed om de Nederlandse taal te leren.
De nadruk van de basisschool ligt voornamelijk op rekenen en taal (spelling en grammatica), maar ook op wereldoriëntatie (natuur, geschiedenis en aardrijkskunde), godsdienst (of levensbeschouwing), Engels, handvaardigheid (bijvoorbeeld knutselen) en sport (gym). De invulling van godsdienst is afhankelijk per school. In Nederland wordt religieus onderwijs door de overheid aangeboden. Op een christelijke school leert men vaak alleen of grotendeels over het christendom, terwijl men op een openbare school vaak over alle grote religies leert.
Kinderen die op het reguliere basisonderwijs niet helemaal kunnen meekomen, kunnen in Nederland terecht op het Speciaal Basisonderwijs (SBO) De kerndoelen zijn hetzelfde, alleen zitten de leerlingen in kleinere klassen en het leertempo is wat lager. het is een tussenvorm tussen Regulier basisonderwijs en speciaal onderwijs zijn de Speciaal Basis Onderwijs scholen (SBO). Deze zijn ontstaan uit de samenvoeging van de vroegere MLK (Moeilijk Lerende Kinderen) en LOM (Leer en Opvoeding Moeilijkheden) scholen ontstaan. Dit had ook te maken met het weer samen naar school traject. SBO leerlingen stromen vaak door naar het Praktijkonderwijs, maar dat kan ook het Vmbo zijn.
Het (voortgezet) speciaal onderwijs is er voor die leerlingen die specialistische en extra ondersteuning nodig hebben, dat het regulier onderwijs niet kan bieden. Er is speciaal onderwijs (SO) dat min of meer gelijk loopt met het basisonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (VSO), wat min of meer parallel loopt met het praktijkonderwijs. Afhankelijk van het niveau (IQ) en de (sociale) redzaamheid kunnen leerlingen tussen regulier en speciaal onderwijs overstappen.
Het (voortgezet) speciaal onderwijs kent 4 clusters:
Cluster 3 en 4 scholen zijn onderdeel van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs, vaak voor een hele regio. Cluster 1 en 2 zijn landelijk georganiseerd.
In Cluster 3 heb je de methylscholen voor lichamelijk beperkte en/of verstandelijk beperkte leerlingen. In hetzelfde cluster heb je de scholen voor Zeer Moeilijk Lerenden (ZML, vroeger ook wel bekend als ZMLK en daarvoor BLO scholen). Soms heeft een school zowel een SO als een VSO afdeling in één gebouw. Apart komt ook voor.
In Cluster 4 heb je de ZMOK scholen, voor Zeer Moeilijk Opvoedbare Kinderen.
Leerlingen kunnen op het VSO blijven tot en met het schooljaar waarin ze 20 jaar worden. Dit kan iets langer voortgezet worden als daarmee de kans op een diploma of passende plek op de banenmarkt groter wordt. Daarvoor moet de Inspectie van het Onderwijs dan wel toestemming geven. Binnen het (V)SO zijn er op grond van het niveau van de leerlingen 3 stromingen, de uitstroomprofielen vso:
Dit verschilt per cluster. Immers kan iemand die doof of blind is een normaal leervermogen (IQ) hebben, maar wordt hij of zij beperkt door de visuele en/of auditieve handicap. Dat vraagt vaak om extra voorzieningen (hulpmiddelen) en tijd. Hetzelfde geldt voor die leerlingen die een motorische beperking hebben.
De (V)SO scholen leggen in een Ontwikkelingsperspectief voor de leerlingen vast wat de verwachte uitstroom zal zijn. Op grond van de leerprestaties kan dit tussentijds worden bijgesteld. Dit wordt in overleg met de ouders gedaan. Mochten ouders het niet met het ontwikkelingsperspectief (of het verloop ervan) eens zijn, kunnen zij terecht bij de geschillencommissie passend onderwijs.
Ook het (V)SO werkt met kerndoelen. Deze geven ook richtlijnen voor de uitstroomprofielen. In de Kerndoelen Speciaal Onderwijs en kerndoelen voor zml en mg so staat waaraan de lesinhouden van de scholen moeten voldoen. De leerresultaten worden tegenwoordig bijgehouden in een Leerlingvolgsysteem.
Veel leerlingen in het (V)SO zijn aangewezen op aangepast vervoer. Zodra het kan wordt er aangestuurd op zelfstandig vervoer (fiets, brommer, openbaar vervoer).
| Niveaus in het voortgezet onderwijs in Nederland |
|---|
| Portaal 👁 Image Nederland |
Het voortgezet onderwijs (of middelbaar onderwijs) in Nederland is meestal vanaf het 12e jaar, soms zijn er uitzonderingen in leeftijd. In groep 8 maken leerlingen een bepaalde test, de CITO Test, en krijgen ook advies van de juf of meester. Dit bepaald welk niveau zij doen op de middelbare school. Een leerling mag besluiten om een lager niveau te doen dan het advies, maar een hoger niveau is niet mogelijk. Mocht een leerling toch een hoger niveau aankunnen, kan de leerling tijdens of aan het einde van de brugklas (eerste klas) overstappen. Gedurende de middelbare school zijn er diverse manieren om over te stappen qua niveau.
Van hoog naar laag zijn de niveaus:
Na de middelbare school gaan de leerlingen een opleiding of studie volgen. Dit is gericht op het beroep dat ze later willen uitoefenen. Opleidingen zijn vaak gericht op een specifiek beroep, zoals kok of timmerman, terwijl studies wat bredere zijn, zoals rechten of medicijnen. Het hoger onderwijs is ingedeeld in drie groepen:
In Vlaanderen gaan de meeste leerlingen eerst naar de kleuterschool. Er is geen leerplicht voor de kleuters, het is volkomen vrij. De meeste kindjes gaan wel naar de peuterschool. Het is bewezen dat als de kleuter naar school ging voor hij naar het 1ste leerjaar ging, veel verstandiger en rijper is.
De Kleuterschool bestaat uit de volgende klassen:
In de derde kleuterklas wordt het kind geëvalueerd om te zien of het in staat is naar het eerste leerjaar van de lagere school te gaan. Bij twijfel overleggen school en CLB dan met de ouders over eventuele andere mogelijkheden: kleuterklas overzitten, speelleerklas, overstap naar buitengewoon basisonderwijs, of huisonderwijs. Meestal is de kleuterschool een deel van de lagere school en zijn deze aan elkaar en de zelfde directeur. Er komt ook veel voorbereiding aan te pas voor de leraars die de "les" moeten voorbereiden. Ze moeten ook schema's en een soort dagboek maken en ingeven op het begin van het nieuwe schooljaar.
Evenwijdig aan het kleuteronderwijs kent Vlaanderen ook het buitengewoon kleuteronderwijs voor kinderen met een beperking. Het Buitengewoon Kleuteronderwijs (BKO) is er voor kleuters met een beperking van 2,5 tot 6 jaar. Een kind dat voldoet aan de leerplicht kan na beslissing van de ouders, op advies van klassenraad en Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB), hoogstens tot het 8e jaar in het BKO blijven.
Vanaf de basisschool is men verplicht om naar school te gaan. Vaak zitten de Kleuterschool en de basisschool in hetzelfde gebouw en hebben zij dezelfde directeur. Gedurende de zes leerjaren leren de leerlingen schrijven, rekenen en lezen, maar er is ook aandacht voor wereldoriëntatie (aardrijkskunde, geschiedenis, natuur) en sport. Vanaf het vijfde leerjaar is men verplicht om Frans te geven, maar veel scholen starten al eerder. Sommige scholen leren de leerlingen daarnaast ook nog Engels.
De leerjaren zijn als volgt:
In Vlaanderen wordt scholen betaald door de gemeenten of de provincies. De Nederlandstalige scholen in Brussel worden echter betaald door de Vlaamse Regering. Enkel de niet-religieuze basisscholen worden volledig betaald; religieuze basisscholen krijgen wel een bijdrage van de overheid.
Het buitengewoon lager onderwijs (BULO) is er voor schoolkinderen met een beperking tussen 6 en 13 jaar. Uitzonderlijk kan een schoolkind tot 14 jaar in het BULO blijven, na beslissing van de ouders en na advies van de klassenraad en het Centrum voor Leerlingenbegeleiding CLB. het is vergelijkbaar met het Speciaal Onderwijs in Nederland.
In Vlaanderen is een vergelijkbaar Voortgezet Speciaal Onderwijs als het V(SO) in Nederland. Voor informatie kijk op de website van het Ministerie van Onderwijs en Vorming.
Na het basisonderwijs stromen leerlinge door naar de middelbare school. Leerlingen zitten doorgaans tussen hun 12e en 18e levensjaar op de middelbare school. De middelbare school is te verdelen in drie graden, die elk uit twee klassen bestaan:
Het hoger onderwijs in Vlaanderen bestaat uit de universiteit of de hogeschool.