VOOZH about

URL: https://nl.wikipedia.org/wiki/Mierenegel

⇱ Mierenegel - Wikipedia


Naar inhoud springen
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2015)
👁 Image
Australische mierenegel in Karawatha Forest
(Tachyglossus aculeatus)
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Mammalia (Zoogdieren)
Orde:Monotremata (Cloacadieren)
Onderorde:Tachyglossa (Mierenegels)
Familie:Tachyglossidae (Mierenegels)
Geslacht:Tachyglossus
Illiger, 1811
Soort
Tachyglossus aculeatus
(Shaw, 1792)
👁 Image
Verspreidingsgebied van de mierenegel
leefgebied (bruin)
Afbeeldingen op 👁 Wikimedia Commons
Wikimedia Commons
Mierenegel op 👁 Wikispecies
Wikispecies
Portaal 👁 Portaalicoon
Biologie
Zoogdieren

De gewone of Australische mierenegel (Tachyglossus aculeatus), ook wel stekelmiereneter genoemd, is een eierleggend zoogdier dat voorkomt in uiteenlopende habitats in Australië, Tasmanië en Nieuw-Guinea. Het is de enige soort uit het geslacht Tachyglossus. De mierenegel is het meest wijdverspreide inheemse zoogdier van Australië en komt op het hele continent voor, hoewel de populatiedichtheid overal laag is. Hij is gemakkelijk te onderscheiden van alle andere inheemse Australische zoogdieren door zijn met stekels bedekte lichaam, kale snavel en unieke rollende gang. De vijf ondersoorten, waarvan er een in Papoea-Nieuw-Guinea voorkomt, vertonen variaties in vachtdichtheid, stekeldiameter, lengte en aantal verzorgingsklauwen. De ondersoort die alleen op Kangaroo Island voorkomt, staat op de Rode Lijst van de IUCN uit 2016 vermeld als "bedreigd", maar alle andere ondersoorten als "niet bedreigd".[2]

De mierenegel vormt samen met de vachtegels de familie der mierenegels (Tachyglossidae). Samen met het verwante vogelbekdier en fossiele soorten vormen zij de orde der cloacadieren (Monotremata). Net als de egels, waaraan hij niet verwant is, heeft hij lange stekels waar hij zich mee beschermt. De mierenegel eet vooral termieten en mieren.

Het compacte lichaam van de mierenegel is lager dan breed, met een gewelfde rug en een vlakke of licht holle buikzijde. De gemiddelde lengte van een volwassen dier is 40-45 cm met een 1cm lange staart. De rug en flanken zijn bedekt met stekels van verschillende groottes. De stekels kruisen elkaar langs wervelkolom. Twee halfronde rozetten van stekels bedekken de korte, kale staartbasis. Tussen de stekels bevindt zich fijn tot dik haar. De lengte en dichtheid van de vacht verschillen per ondersoort. De vachtkleur van de twee ondersoorten die voorkomen op Kangaroo Island en op Tasmanië, variëren van licht strogeel tot donkerbruin. Ondersoorten van het vasteland zijn over het algemeen uniform donker van kleur. Albinisme komt voor bij alle ondersoorten. De poten en buikzijde van de mierenegel zijn vrij van stekels, maar bedekt met haar. Zowel de voor- als achterpoten zijn kort, stevig en vijfvingerig. De voorste tenen hebben sterke, spatelvormige klauwen, waarbij de drie middelste langer zijn dan de andere. De achterpoten zijn naar achteren gedraaid. Door de stekelige vacht heeft de mierenegel geen duidelijk gedefinieerde nek. Het voorste deel van de schedel is langwerpig en loopt uit in een snavelachtige snuit, die bedekt is met een zachte, haarloze huid. De naar voren gerichte ogen van ongeveer 9 mm bevinden zich bijna aan de basis van de snuit. De neusgaten zitten op de bovenzijde van de snuit en de kleine mondopening van ongeveer 5 mm zit aan de onderkant. De mond opent zich slechts zo breed als de tong, die tot 18 cm voorbij het uiteinde van de snavel kan uitsteken. De oren hebben meestal geen uitwendige oorschelpen en verschijnen als verticale spleten aan de zijkant van de kop. Kleine stekels en haartjes verbergen deze openingen vaak. De gemiddelde minimale en maximale lichaamsmassa van volwassen dieren varieert van jaar tot jaar. Bij beide eilandondersoorten bedroeg het gemiddelde gewicht van de mannetjes 2,8 kg tijdens het schaarse seizoen en 4,4 kg tijdens het seizoen van overvloed, terwijl het gemiddelde gewicht van de vrouwtjes schommelde tussen 2,5 en 5,0 kg. De zwaarste gedocumenteerde mierenegel, met een lichaamsgewicht van bijna 7 kg, leefde in de Snowy Mountains. Normaal gesproken zijn er geen secundaire geslachtskenmerken, behalve tijdens het paringsseizoen wanneer sommige mannetjes een duidelijke penisverdikking hebben.[2]

Chromosomen en genetische geslachtsbepaling

[bewerken | brontekst bewerken]

Vrouwelijke mierenegels hebben 32 paar homologe chromosomen (2n=64), 27 paar autosomen en vijf paar X-chromosomen. Mannetjes hebben 63 chromosomen, 27 paar autosomen, vijf X-chromosomen en vier Y-chromosomen. Mannelijke vogelbekdieren hebben overigens vijf X- en vijf Y-chromosomen. De complexiteit van de geslachtschromosomen bij cloacadieren is uniek onder zoogdieren. Opmerkelijk is dat deze geslachtschromosomen niet homoloog zijn aan de geslachtschromosomen bij levendbarende zoogdieren, maar aan de WZ-chromosomen van vogels. Dit verklaart de afwezigheid van het geslachtsbepalende SRY-gen bij eileggende zoogdieren, in tegenstelling tot alle andere zoogdieren. Bij deze cloacadieren is het geslachtsbepalende gen waarschijnlijk AMH dat aanwezig is op een van de Y-chromosomen van de mierenegel.[2]

Het bloedvatenstelsel is vergelijkbaar met dat van andere zoogdieren en bestaat uit twee volledig gescheiden bloedsomlopen, waarbij de systemische aorta ontspringt uit de linker vierde aortaboog. Het dier heeft een middenrif en asymmetrische longen, waarbij de rechterkant ongeveer 65% van het volume uitmaakt. Het verdraagt hoge CO2-concentraties (tot 12%), waardoor het fysiologisch goed is aangepast om te graven en langdurig onder de grond te verblijven.[2]

👁 Image
Skelet
Musée d'Histoire Naturelle de Lille

De schoudergordel van de mierenegel bestaat uit dezelfde beenderen als die van de Therapsida, een groep voorouders van de zoogdieren die het land domineerden gedurende de tweede helft van het Perm. Bij de mierenegel bestaat de schoudergordel uit twee schouderbladen, twee ravenbeksbeenderen en twee sleutelbeenderen, samen met twee botten die bij geen enkel ander zoogdier voorkomen: een T-vormig tussen-sleutelbeen en twee epicoracoiden gelegen tussen de ravenbeksbeenderen en het borstbeen. De wervelformule van de mierenegel doet denken aan die van de buideldieren met 7 halswervels, 15 borstwervels, 3 lendenwervels en 4 heiligbeenwervels, in totaal 29. De bekkengordel heeft de zes gebruikelijke botten van zoogdieren: twee drievlakkige darmbeenderen aan de rugkant, twee zitbeenderen aan de achterkant en twee schaambeenderen aan de onderkant. Aan de voorrand van elk schaambeen bevindt zich bovendien een daarmee scharnierend buidelbeen dat zo lang is als het schaambeen en ook bekend is van de buideldieren en uitgestorven voorouders van alle zoogdieren. De schedel is glad met langwerpige bovenkaakbeenderen en premaxilla die de bovenkaak vormen. De onderkaak wordt gevormd door de rechter- en linkeronderkaakbeenderen, die priemvormig zijn. Door rotatie van de onderkaakbeenderen om hun eigen as kan de mond openen en sluiten. Tanden ontbreken en prooien worden vermalen door ze te wrijven tussen hoornachtige stekels achter op de tong en op het gehemelte. Het oppervlak van de lange, wormvormige tong is kleverig door het slijm dat wordt afgescheiden door de gepaarde speekselklieren onder de tong. Het snel uitsteken en terugtrekken van de tong, ongeveer 100 keer per minuut, wordt mogelijk gemaakt door de samentrekking van circulaire spieren en drie paar longitudinale spieren.[2]

Spijsverteringsstelsel

[bewerken | brontekst bewerken]

De maag bestaat uit een ruwe, hoornachtige huid van meerlagig epitheel en bevat geen klieren. Peristaltische bewegingen van de maag helpen bij het vermalen van voedsel, waardoor de harde exoskeletten van ongewervelde dieren worden afgebroken. De spijsvertering vindt voornamelijk plaats in de 3,4 m lange dunne darm. De passage van de ontlasting kan tot 2 dagen duren, waardoor de zachte delen van ongewervelde dieren grondig verteerd kunnen worden en water kan worden geresorbeerd. Vuil en onverteerd exoskeletten worden via de cloaca afgevoerd. De goed gevormde uitwerpselen hebben een karakteristieke cilindrische vorm met stompe uiteinden. De nier is typisch zoogdierachtig, met uitzondering van de aanwezigheid van een dwergnefron, dat ook voorkomt in de nier van veel reptielen. Urineleiders van de nieren monden uit in een ongepaarde sinus urogenitalis, tegenover de hals van de blaas. Samentrekking van de blaas zorgt ervoor dat de urine in de sinus stroomt en via de cloaca het lichaam verlaat, zowel bij mannetjes als vrouwtjes.[2]

Het centrale zenuwstelsel wordt als opmerkelijk beschouwd vanwege de korte lengte van het ruggenmerg, dat eindigt bij de zevende borstwervel, in tegenstelling tot tussen de eerste en tweede lendenwervel bij mensen. De positie en onderlinge verhouding van de visuele, auditieve en sensorische gebieden verschillen van die bij placentale zoogdieren. Bijna de helft van het sensorische hersengebied is toegewezen aan tastorganen zoals de snuit en de tong. De hersenen zijn sterk geplooid, wat wordt beschouwd als een kenmerk van neurologisch meer geavanceerde zoogdieren. De prefrontale cortex, geassocieerd met complexe cognitie, het ophalen van langetermijngeheugen en besluitvorming, beslaat 50% van de neocortex, maar slechts 29% bij mensen. Toen een mierenegel werd getest met behulp van doolhofproeven en positionele, visuele en tactiele experimenten, leerde hij snel, verbeterde zijn prestaties door oefening en vertoonde hij bewijs van het opslaan, classificeren en integreren van informatie.[2]

👁 Image
Slachtoffer van een aanrijding waar de beharing op de buik en de voor- en achterpoten goed te zien zijn

De stekels zijn gemodificeerde haren. Er is geen jaarlijkse rui, maar de stekels worden na verloop van tijd afgestoten en vervangen. De basis van elke stekel wordt omgeven door een bundel spieren en de wortel ervan is verankerd in de panniculus carnosus, een grote spiermassa die zich rond de romp uitstrekt. Deze structuur maakt het mogelijk om de individuele stekels te controleren tijdens het klimmen, foerageren, poetsen of ontwijken van een bedreiging. De panniculus carnosus, dikker aan de rugzijde en dunner aan de buikzijde, is verantwoordelijk voor het vermogen van de mierenegel om zich tot een bal op te rollen. Het is onmogelijk om de echte huid (epidermis en dermis) plus stekels en haren te scheiden van de panniculus carnosus. Dit enorme orgaan beslaat een derde tot de helft van de lichaamsmassa. In tegenstelling tot andere zoogdieren bevat de huid zeer weinig zweetklieren. Door de naar buiten gerichte rotatie van het scheenbeen en kuitbeen en het horizontale dijbeen zijn de achterpoten en klauwen naar achteren gericht. De mierenegel heeft verlengde klauwen aan de achterpoten die gebruikt worden voor de verzorging. De articulatie van de gedraaide achterpoten in het bekken maakt het mogelijk om de verzorgingsklauwen tussen de stekels op bijna elk deel van het lichaam te steken om teken te verwijderen of, in het geval van opgroeiende jongen, om droge huid tussen de uitstekende stekels te verwijderen. De eerste klauw aan de buitenkant van de achterpoot is het kortst, de tweede is meestal het langst, en afhankelijk van de ondersoort is de derde korter, even lang of langer dan de tweede. De klauwen aan de vierde en vijfde teen zijn opvallend kort. De meeste jonge volwassen dieren hebben een met een schede bedekte spoor aan de binnenkant van de enkel van beide achterpoten. Sporen bij volwassen dieren zijn hol, geperforeerd en via een kanaal verbonden met de klier in de kuit, die zich net onder de knie bevindt. De spoor is niet giftig, in tegenstelling tot bij het mannelijke vogelbekdier. Door de structuur en oriëntatie van de achterpoten kan de gang van mierenegels worden omschreven als rollend. De mierenegel heeft een opmerkelijke kracht dankzij zijn ongebruikelijke anatomie. Goed ontwikkelde spieren van de korte, stevige poten hechten zich aan de solide schoudergordel en vormen een mechanische constructie die een hefboom van de derde orde wordt genoemd. De verhouding tussen de grote spiermassa en de botlengte verklaart zijn effectieve kracht. De sterke klauwen aan de voorpoten zijn effectief om voedsel te zoeken. De snuit heeft ook de mechanische voordelen van een hefboom. De snuit heeft de vorm van een dubbele wig, waardoor de kracht die de snuit uitoefent zes keer zo groot is als de volledige lengte ervan. Het dier gebruikt zijn snuit om harde grond te splijten, stenen om te draaien of de lichamen van ongewervelde prooien te verscheuren die te groot zijn om in hun geheel op te eten.[2]

Ondanks de kleine uitwendige ogen zijn de visuele leervermogens goed. Het aantal vezels in de oogzenuw (ongeveer 15.000) wijst op een redelijke mate van visuele discriminatie. De rangschikking van de gehoorbeentjes impliceert dat auditieve informatie zowel via mechanoreceptoren in de snavel als via de grote kraakbeenachtige oorschelpen kan worden ontvangen. De organisatie van het reukvermogen volgt het gebruikelijke zoogdierpatroon, maar het gebied van het reukepitheel, dat rust op verticale benige tussenschotten, is groot. De mierenegel heeft 13 keer meer reukzenuwvezels dan het vogelbekdier. De drielingzenuw, afkomstig uit de huid van de snuit, eindigt in de thalamus en verbindt de tastzin van de snuit met de reukzin.[2]

Voortplantingsstelsel

[bewerken | brontekst bewerken]

De mierenegel heeft geen permanente buidel, maar beide geslachten kunnen hun buikspieren samentrekken, waardoor de indruk van een ondiepe buidel ontstaat. Vrouwtjes ontwikkelen pas na de paring een duidelijke pseudobuidel, wanneer de melkklieren opzwellen. Deze heeft geen tepels, maar wel twee behaarde plekken. Deze melkvelden, met een diameter van ongeveer 5 mm, bevinden zich aan de voor- en zijkant van de buidel. Elk melkveld bestaat uit 100-150 afzonderlijke klieren, die uitmonden in een instulping van de huid met een haarzakje. Deze gespecialiseerde haren zijn alleen verbonden met de melkkanalen van de melkklieren, waar de jongen zuigen. Zowel bij het vogelbekdier als bij de mierenegel zijn de eierstokken het grootst tijdens het paarseizoen en dat geldt ook voor de testosteronspiegel en de grootte van de testikels.[2]

De mierenegel zweet of hijgt niet om zijn lichaamstemperatuur te verlagen. De productie van neusslijm bij hoge temperaturen koelt echter het bloed door verdamping. De lichaamstemperatuur van actieve dieren ligt tussen de 31 en 33 °C. Dieren die boven de sneeuwgrens leven in de Australische Alpen van New South Wales en Tasmanië, gebruiken torpor. Tijdens een winterslaap van maximaal 7 maanden daalt de lichaamstemperatuur tot De mierenegel zweet of hijgt niet om zijn lichaamstemperatuur te reguleren. De productie van neusslijm bij hoge temperaturen koelt echter de bloedtoevoer naar de neusbijholten af en bevordert de verdampingskoeling. De actieve lichaamstemperatuur ligt tussen de 31 en 33 °C. Dieren die boven de sneeuwgrens leven in de Australische Alpen van New South Wales en Tasmanië, gebruiken torpor. Tijdens een winterslaap van maximaal 7 maanden daalt de lichaamstemperatuur tot ½ °C boven de grondtemperatuur, waarbij de lichaamstemperatuur periodiek piekt tot normale waarden. Tijdens de winterslaap kan de frequentie dalen tot 1 ademhaling per minuut en kunnen er periodes van maximaal 2 uur helemaal zonder ademhaling voorkomen. In gematigdere klimaten is het gebruik van torpor veel korter. Sommige individuen gebruiken torpor tijdens de hete, droge zomermaanden, maar ook op andere momenten van het jaar. De stofwisseling, hartslag en ademhalingsfrequentie variëren van 0,03 ml O2/g/u, 7 slagen/min en 1 ademhaling/3 min bij een lichaamstemperatuur van 5°C tot 0,5 ml O2/g/u, 70 slagen/min en 6 ademhalingen/min bij een actief dier met een lichaamstemperatuur van 33°C. Zowel zogende als niet-zogende vrouwtjes hebben vergelijkbare lage stofwisselingssnelheden en wateropnamesnelheden. De nieren zijn in staat de urine aanzienlijk te concentreren en zo water te behouden, wat cruciaal is voor overleving in droge omgevingen.[2]

👁 Image
Baby mierenegel

De mierenegel plant zich voort via eieren. Het ei heeft een grote dooier aan één uiteinde. De dooier deelt zich alleen in cellen bij een klein, kapvormig schijfje cytoplasma aan de bovenkant (of animale pool). De grote dooier blijft ongedeeld en het embryo ontwikkelt zich als een platte blastodisc bovenop de dooier, net als bij reptielen. De eerste celdeling verdeelt de kiemschijf in ongelijke delen. Het viercellenstadium bestaat uit twee grote en twee kleinere blastomeren die bovenop de dooier liggen. In de baarmoeder verloopt de differentiatie van de blastomeren vergelijkbaar met die van reptielen. Het duurt 20-24 dagen van bevruchting tot het leggen van het ei, afhankelijk van de ondersoort. Op dat moment heeft het embryo 19 paar somieten. De incubatie in de buidel duurt 10 of 11 dagen. Wanneer het embryo ongeveer 39 somieten heeft, zijn er lobvormige voorpoten, knopvormige achterpoten en een staart gevormd, en is het ongeveer 7 mm lang. Een eitand verschijnt aan de punt van de snuit wanneer er 43 somieten zijn gevormd. Vóór het uitkomen, wanneer 45 somieten te onderscheiden zijn, krijgt de eitand een scherpe punt die bedekt is met glazuur. De eitand, die gebruikt wordt om de eierschaal te breken, breekt binnen 48 uur na het uitkomen af. Vloeistof uit het ei lekt in de buidel en het jong, in het Engels een puggle genoemd, grijpt de haren op de buik van de moeder vast en trekt zichzelf eruit.[2]

Bij het uitkomen weegt de jonggeborene ongeveer 0,3 gram, meet zo'n 23 mm en vult slechts ongeveer een derde van het volume van het ei. Het lichaam is dan nog doorschijnend, met gekleurde banden waar de organen liggen, en binnen enkele uren na het uitkomen is de melk die het diertje heeft gedronken zichtbaar door de lichaamswand. Het is mogelijk dat pasgeborenen door hun huid ademen. De aanwezigheid van goed ontwikkelde zintuigcellen suggereert dat reukvermogen een rol speelt bij het vinden van de melkvlek. De mierenegel heeft geen tepels om melk af te geven, maar de microscopische structuur van de melkvlek lijkt op die van de menselijke tepel. De melk komt naar buiten en de jongen zuigen aan de basis van gespecialiseerde melkhaartjes. De samenstelling van de melk verandert tijdens de groei van de jongen; aanvankelijk is deze verdund, maar wordt later geconcentreerder. Melk in de vroege lactatieperiode bevat ongeveer 12% vaste stoffen, waarvan 1¼% vet en 8% eiwit. Uiteindelijk bevat de melk ongeveer 50% vaste stoffen, waarvan 31% vet en 12½% eiwit (Griffiths et al. 1984). In tegenstelling tot placentale zoogdieren bevat de melk van de mierenegel weinig ongebonden lactose. De belangrijkste koolhydraten zijn fucosyllactose (een trisaccharide samengesteld uit fucose, galactose, and glucose) en sialyllactose (een verbinding van siaalzuur met lactose).[2]

De moederlijke zorg verschilt per ondersoort. De jongen van de ondersoort Tachyglossus aculeatus multiaculeatus worden vanaf het uitkomen tot ongeveer 50 dagen oud in de buidel van de moeder gedragen, gedurende welke tijd zij actief op zoek is naar voedsel. In deze periode neemt het lichaamsgewicht van het zogende jong toe van ongeveer 300 mg tot 180-250 g en verandert de huidskleur van roze naar grijs, terwijl er haar en stekels beginnen te groeien. In dit stadium plaatst het vrouwtje het jong in een zelf gegraven hol, dat ze als ze vertrekt telkens weer dichtgooit om het jong koel te houden en te beschermen tegen roofdieren. Gedurende de volgende 5 maanden keert het vrouwtje eens in de 5-6 dagen terug om het jong te zogen, tot het spenen na 204-210 dagen. Het lichaamsgewicht bij het spenen is 0,8-1,5 kg, waarbij grotere moeders zwaarder zijn. Een jong van Tachyglossus aculeatus acanthion dat na 195-200 dagen werd gespeend woog op dat moment 1,75 kg. Daarentegen blijven vrouwtjes van de ondersoort Tachyglossus aculeatus setosus tijdens het leggen van eieren, het broeden en het uitkomen in een afgesloten hol. Ze komen pas na 37-51 dagen naar buiten om voor het eerst te eten zonder de jongen in de buidel. Tijdens deze periode verliest het vrouwtje ongeveer 1,2 gram gewicht per dag, terwijl de jongen groeien van 0,4 gram tot 200 gram. Later keren de vrouwtjes met wisselende tussenpozen terug naar het hol om de jongen te zogen. Twee jongen die na respectievelijk 139 en 152 dagen werden gespeend, hadden een lichaamsgewicht van 1,5 en 2,25 kg. De relatief korte lactatieperiode en de snelle groei van de jongen van deze ondersoort zijn mogelijk een geografische aanpassing aan de zuidelijkste grens van hun verspreidingsgebied. Een seksueel volwassen vrouwtje kan zich in opeenvolgende jaren voortplanten, maar de meeste vrouwtjes hebben één jong per 2-3 jaar. Wanneer een jong verloren gaat, kan het vrouwtje in hetzelfde seizoen een tweede keer leggen.[2]

Verschillen met verwante soorten

[bewerken | brontekst bewerken]

De familie Tachyglossidae wordt momenteel vertegenwoordigd door twee geslachten: Tachyglossus, met één soort die voorkomt op het Australische vasteland, Tasmanië en Papoea-Nieuw-Guinea, en Zaglossus (vachtegels), bestaande uit drie soorten die alleen op Nieuw-Guinea voorkomen. De geslachten kunnen worden onderscheiden door grootte en andere morfologische kenmerken. Vachtegels kunnen een lengte bereiken van maximaal 1 meter en een lichaamsgewicht van 16 kg, hoewel de gemiddelde grootte ongeveer 10 kg is. De meeste mierenegels wegen daarentegen minder dan 5 kg en zijn minder dan 50 cm lang. De gewone vachtegel heeft een snuit van omstreeks 10 cm, bijna twee keer zo lang als die van de mierenegel met ruim 5 cm. Bovendien is de tong van Zaglossus gegroefd in het voorste derde deel van de bovenkant en heeft drie rijen naar achteren gerichte hoornachtige stekels, kenmerken die bij de mierenegel ontbreken.[2]

👁 Image
kleurlitho naar een schilderij van Wilhelm Kuhnert (1865–1926)

De mierenegel werd in 1792 voor het eerst wetenschappelijk beschreven door George Shaw op basis van een dier uit de omgeving van het tegenwoordige Sydney. Hij dacht dat het dier verwant was aan de grote miereneter en noemde het daarom Myrmecophaga aculeata. Georges Cuvier gaf in 1997 de geslachtsnaam Echidna aan het "inheemse stekelvarken", maar deze geslachtsnaam was al gebruikt door Johann Reinhold Forster in 1788 voor een murene en daarom niet beschikbaar. In 1799 gaf Bernard Germain de Lacépède de naam Echidna novaehollandiae. Everard Home realiseerde zich dat mierenegels het meest verwant zijn aan het vogelbekdier en plaatste de soort daarom in hetzelfde geslacht en gaf het in 1802 de naam Ornithorhynchus hystrix. Étienne Geoffroy Saint-Hilaire beschreef in 1803 dieren uit Tasmanië waaraan het de naam Echidna setosa toekende. Friedrich Tiedemann maakte in 1808 een onderscheid tussen de populatie aan de Straat Bass en die van Shaw en noemde deze respectievelijk Echidna breviaculeata en Echidna longiaculeata. De Duitse paleontoloog en zoöloog Georg August Goldfuss verving in 1809 de naam van Shaw door Acanthonotus myrmecophagus. In 1810 gaf George Perry de naam Platypus longirostra aan de mierenegel. Ook Johann Karl Wilhelm Illiger plaatste het dier in 1811 in zijn eigen geslacht en gebruikte zo voor het eerst de naam Tachyglossus aculeatus, de naam die nu nog steeds gebruikt wordt. De Duits-Russische natuuronderzoeker Johann Gotthelf Fischer von Waldheim stelde in 1813 voor de geslachtsnaam Echidna van Cuvier te vervangen door Echinopus. Ook de excentrieke uomo universale Constantine Samuel Rafinesque-Schmaltz suggereerde als vervangende geslachtsnaam Syphomia. In 1827 maakte René Primevère Lesson de nieuwe combinatie Echidna australiensis opnieuw als vervanging van de naam van Shaw. Robert Mudie stelde in 1829 de naam Ornithorhynchus eracinius voor. In 1836 stelde Lesson voor de naam van Shaw te vervangen door Echidna australis. De Australische wetenschapper Gerard Krefft onderscheidde in 1872 twee vormen, Echidna corealis afkomstig van Kaap York in Queensland, en Echidna orientalis uit oostelijk Australië. In 1877 meende de Australische zoöloog Edward Pierson Ramsay dat dieren uit de buurt van Port Moresby in Papua New Guinea moesten worden onderscheiden en maakte daarom de combinatie Tachyglossus lawesii. De Noorse zoöloog Robert Collett beschreef in 1884 Echidna acanthion uit Queensland. De Britse zoöloog Michael Rogers Oldfield Thomas gaf de naam Echidna typica in 1885 aan dieren uit heel Australië. De Britse bankier en zoöloog Lionel Walter Rothschild onderscheidde in 1905 een ondersoort uit het uiterste zuiden van Zuid-Australië en noemde die Echidna hystrix multiaculeata Rothschild. In 1906 beschreef Oldfield Thomas eveneens een ondersoort, maar dan uit West-Australië, die hij de naam Tachyglossus aculeatus ineptus gaf. In 1909 stelde R. Kowarzik de naam van Rothschild te vervangen door Echidna sydneiensis en de naam van Geoffroy Saint-Hilair door Echidna hobartensis. Peggy Rismiller en Frank Grutzner beschouwden in 2019 al deze namen als synoniemen. De mierenegel is ingedeeld bij de orde Monotremata, familie Mierenegels en het geslacht Tachyglossus, waarvan het dier als de enige nu levende soort wordt beschouwd.[2]

👁 Image
De Tasmaanse ondersoort (Tachyglossus aculeatus setosus) is te herkennen aan zijn langere vacht en kortere stekels.

Er worden vijf ondersoorten erkend:

Het is onduidelijk of deze taxonomie wel correct is omdat de grenzen tussen de ondersoorten vaak onduidelijk zijn.[2]

De naam "Echidna" kent twee mogelijke oorsprongen. Volgens de ene is het dier vernoemd naar Ἔχιδνα (Oudgrieks: Ekhidna), een Griekse godin die half reptiel en half zoogdier was. Een andere mogelijkheid is dat de naam is afgeleid van ἐχῖνος (echinos), het Griekse woord voor egel. De geslachtsnaam Tachyglossus betekent "snelle tong". Echidna blijft echter de meest gangbare Engelse naam.[2]

Verspreiding en habitat

[bewerken | brontekst bewerken]

Van alle eierleggende zoogdieren heeft de mierenegel het grootste verspreidingsgebied. Hij komt voor in geheel Australië, waaronder Tasmanië en eilandjes voor de kust als Kangaroo-eiland, en op Nieuw-Guinea in het zuidoosten en de Markham-vallei. De mierenegel komt voor in bijna alle habitats: in gematigde bossen en regenwouden, bosachtige streken, savannes, (half-)woestijnen en berggebieden tot een hoogte van 1800 m. Hij komt ook in landbouwgebieden voor.

Bij gevaar graaft de mierenegel zich razendsnel in, tot enkel de stekels zichtbaar blijven.

De mierenegel heeft een of meer verlengde klauwen aan de achterpoten die gebruikt worden voor de verzorging. De beweeglijkheid van de achterpoten in het bekken maakt het mogelijk om de klauwen tussen de stekels op vrijwel elk deel van het lichaam te steken om teken te verwijderen of, bij jonge dieren, om droge huid tussen de uitstekende stekels te verwijderen. Afhankelijk van de tijd van het jaar en de geografische locatie is het dier overdag of 's nachts actief. Zijn foerageer- en activiteitspatronen variëren met de klimatologische omstandigheden.[2]

De mierenegel volgt geen vaste paden, maar beweegt zich in willekeurige, grillige patronen. Het is een goede zwemmer en natuurlijke waterwegen of door mensen aangelegde dammen binnen zijn leefgebied vormen geen probleem voor het oversteken. De gemiddelde loopsnelheid is ongeveer 1 km/u, met een maximum van 2½ km/u.[2]

De mierenegel is niet territoriaal en niet agressief tegen soortgenoten. In gevangenschap is waargenomen dat in kleinere, dichtbevolkte verblijven de dieren een hiërarchie vormen, bepaald door lichaamsgrootte. Dit is waarschijnlijk geen weerspiegeling van natuurlijk gedrag. In ruimere verblijven worden geen sociale interacties waargenomen. Mierenegels bouwen gezamenlijke "toiletten". De reden daarvoor is nog niet bekend.[3] De mierenegel heeft geen eigen hol, maar gebruikt schuilplaatsen in de inheemse vegetatie, grotten of zelf gegraven holen van maximaal 1,2 meter lang. In gebieden met konijnen bestond 90% van de schuilplaatsen uit konijnenholen. Nestholen worden doelbewust zelf gegraven in verschillende soorten vegetatie en landschappen. Het is zeldzaam om een dier in hetzelfde hol te vinden als een ander, maar in één geval leken drie dieren een grote heuvel te delen die door een boskalkoen was gemaakt en die vier afzonderlijke kamers bevatte.[2]

De mierenegel is dag en nacht actief, voornamelijk in de schemering. De mierenegel heeft een voor een zoogdier vrij lage lichaamstemperatuur, 31-33°C. Hierdoor kan hij slecht tegen hoge temperaturen.

In een warme zomer is hij vooral 's nachts actief en zoekt hij op het heetst van de dag koele holen op. Bij kouder is hij weer vaker op het midden van de dag actief. Mierenegels vermijden regen. Bij langdurig aanhoudende regen kan hij dagen achtereen inactief blijven. Bij langdurige inactiviteit geraken zij in torpor, waarbij de lichaamstemperatuur, die normaal 31-33°C bedraagt, kan dalen tot 18°C. In sommige delen van het verspreidingsgebied, zoals in de Snowy Mountains in het oosten van Australië, houdt hij een winterslaap. Hun normale lichaamstemperatuur kan dan dalen tot 4-5°C.

De mierenegel loopt niet op zijn zolen, maar op zijn enkels, met de poten gestrekt en de tenen zij- en achterwaarts gericht, wat hem een hobbelige gang geeft. Het is een uitstekende graver. Bovendien rent hij goed en kan hij prima klimmen en zwemmen.

👁 Image
Als een mierenegel zich niet kan ingraven, rolt hij zich op als een egel.

De stekels beschermen de mierenegel tegen natuurlijke vijanden. Bij gevaar zet hij deze op, waardoor zij een ondoordringbare haag vormen. De stekelloze delen van het lichaam worden op verschillende manieren beschermd. In zachte grond kan hij zich razendsnel met de vier poten horizontaal ingraven, waardoor de buik onder de grond verdwijnt en enkel de opgerichte stekels boven de grond blijven. Op harde grond rolt hij zich op als een egel. Ook kan hij zich met zijn sterke poten klemzetten in een rotsspleet.

De mierenegel voedt zich met een grote verscheidenheid aan prooidieren waaronder kevers en regenwormen, keverlarven en houtboorders, evenals verschillende soorten mieren en termieten. Hij eet ook eieren en larven van andere insecten, die rijk zijn aan vet en eiwitten en weinig chitine bevatten. Omdat het dieet grotendeels wordt bepaald op basis van de resten van de exoskeletten in de uitwerpselen, worden "zachte prooien" vaak niet opgemerkt. In een gebied waar geen termieten voorkwamen, bestonden de uitwerpselen voornamelijk uit mieren (ongeveer 66%) en larven. Er worden veel zintuigen gebruikt om ondergronds voedsel te detecteren. Dieren tikken bijvoorbeeld vaak met de onderkant van hun snavel op de grond, waarna ze stoppen, hun kop kantelen alsof ze luisteren, en vervolgens graven om prooi te vinden. Het waarnemen van trillingen via de onderkaak lijkt onderdeel te zijn van de foerageerstrategie, omdat het oor goed geschikt is voor gehoor via botgeleiding. Andere mechanismen voor het vinden van prooi zijn het scherpe reukvermogen en trillingszintuigen in de voorpoten die gevoelig zijn voor lage frequenties, vergelijkbaar met die van hun ongewervelde prooi. Hoewel er elektroreceptoren in de snuit zitten, lijken die niet veel te helpen om prooi te vinden. Er kan diep (4-6 liter) of minder diep gegraven worden, in rijen of de snuit wordt alleen een stukje in de grond geduwd. Zogende vrouwtjes graven soms tot wel 1000 gaten tijdens een foerageerperiode van 18 uur en foerageren op andere momenten slechts een paar uur met weinig bodemverstoring. In droge gebieden neemt de mierenegel voldoende water tot zich door uitsluitend termieten te eten. Wanneer er water beschikbaar is, drinkt hij ook en likt hij waterdruppels op die door dauw, mist of regen van planten zijn gevormd.[2] In gevangenschap is waargenomen dat mierenegels ook brood en gehakt eten.

Voortplanting

[bewerken | brontekst bewerken]

De bronst en voortplanting van de mierenegel vinden meestal plaats tussen juni en september in zijn hele verspreidingsgebied. Het is onduidelijk welke signalen of fysiologische factoren de ovulatie induceren, maar de prikkel kan simpelweg de aanwezigheid van een mannetje bij een vrouwtje gedurende meerdere dagen zijn. Omdat de voortplanting seizoensgebonden is, varieert de grootte van de testikels van 1-3 g/kg lichaamsgewicht buiten het voortplantingsseizoen tot wel 15 g/kg lichaamsgewicht tijdens het broedseizoen. De gepaarde Cowperse klieren zijn goed ontwikkeld, maar volwassen mannetjes hebben geen prostaatklier, zaadblaasjes of scrotum. De gepaarde ovale testikels bevinden zich achter de nieren. Zaadbuisjes aan de voorzijde van de testikels monden uit in zeven afvoerbuisjes die naar een bijbal leiden. Deze splitst zich in een grote kop en een kleine staart, verbonden door een zaadleider die het sperma naar de penis transporteert. De penis, die uitsluitend dient voor de doorgang van zaadcellen, is ongeveer 7 cm lang en heeft een gespleten eikel met twee openingen aan elke kant. Ongebruikelijk is dat de zaadlozing zich beperkt tot een kant waarbij zeer beweeglijke spermabundels van elk wel 100 zaadcellen worden geproduceerd. Behalve tijdens de copulatie, wanneer de penis stijf is en door de sluitspier van de cloaca naar buiten wordt geperst, bevindt deze zich intern in een voorhuidzak die aan de buikkant van de cloaca ligt.[2]

De gepaarde eierstokken zijn via een plooi van het buikvlies verbonden met de voor- en onderzijde van de nieren. In tegenstelling tot het vogelbekdier, waar alleen de linker eierstok en eileider functioneren, zijn bij mierenegels beide eierstokken functioneel. De linker en rechter baarmoeders monden afzonderlijk uit in de sinus urogenitalis. Op het hoogtepunt van het voortplantingsseizoen bevat elke eierstok clusters van rijpe follikels met een diameter tot 5 mm. Nadat de eerste spoelfiguur van de meiose is verschenen, beweegt eicel naar de eileider waar de bevruchting plaatsvindt. De bevruchte eicel wordt eerst bedekt met een slijmlaag, gevolgd door twee lagen eierschaal. In het laatste stadium van de ontwikkeling in de baarmoeder, wanneer het embryo 19 paar somieten heeft, is de eicel ongeveer 15 cm in diameter en heeft de eierschaal zijn definitieve vorm, bestaande uit drie lagen. De normale periode tussen de paring en het leggen van de eieren is 20-24 dagen, maar kan tot 80 dagen duren als de ontwikkeling tijdelijk wordt onderdrukt. Het ei wordt direct in de buidel gelegd doordat het vrouwtje haar lichaam oprolt en de cloaca over de opening van de buidel naar buiten duwt.[2]

De mierenegel leeft solitair, behalve tijdens de bronst in de winter. Chemische signalen spelen een belangrijke rol in het voortplantingsgedrag. In veel delen van Australië wordt het begin van de bronst aangekondigd door seksueel actieve mannetjes die een vrouwtje opzoeken en volgen. De meeste vrouwtjes zijn niet elk jaar vruchtbaar. Soms volgen meerdere mannetjes in een "trein" hetzelfde vrouwtje als dat een geurspoor achterlaat afkomstig van klieren uit de binnenrand van de cloaca. Terwijl een vrouwtje van Tachyglossus aculeatus multiaculeatus met één mannetje paart is het vrouwtje van de ondersoort Tachyglossus aculeatus setosus soms promiscue. Na het uitkomen bevindt het jong zich, afhankelijk van de leeftijd, in de buidel van de moeder of in een broedhol. Ze worden uitsluitend gevoed met moedermelk tot het spenen, waarna ze zelfstandig zijn. Ouders begeleiden de gespeende jongen niet. De jongen verspreiden zich 12-18 maanden na het spenen over een gebied van meer dan 45 km voordat ze een eigen territorium vestigen.[2]

In de koudere gebieden, waar mierenegels een winterslaap houden, ontwaken de mannetjes zo'n maand vroeger dan vrouwtjes. Tijdens die maand paren sommige mannetjes met vrouwtjes, die dan met een verlaagde lichaamstemperatuur paren en daarna soms weer verdergaan met hun slaap.[3][4]

De mierenegel plant zich langzaam voort. Hij is pas na vijf jaar geslachtsrijp. Vrouwtjes krijgen iedere twee tot zes jaar een jong.

Mierenegels kunnen zeer oud worden voor een zoogdier van zijn grootte. Het oudst bekende dier was een mierenegel uit de dierentuin van Philadelphia, die 49 jaar oud werd. In het wild is een leeftijd van 45 jaar geregistreerd.

Relatie met de mens

[bewerken | brontekst bewerken]

De Aborigines van Australië en de Papoea's van Nieuw-Guinea jagen op mierenegels.

De mierenegel wordt niet bedreigd in zijn voortbestaan. Hij komt lokaal algemeen voor, heeft een groot verspreidingsgebied en de wereldpopulatie is stabiel. Bovendien past hij zich makkelijk aan en komt in een grote verscheidenheid aan habitats voor. In delen van Nieuw-Guinea neemt de soort lokaal af door overbejaging.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. (en) Mierenegel op de IUCN Red List of Threatened Species.
  2. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 Peggy D. Rismiller, Frank Grutzner(2019).Tachyglossus aculeatus (Monotremata: Tachyglossidae). Mammalian Species51(980): 75–91.
  3. 1 2 Spiky Animal Doesn't Practice Safe Sex.Discovery News(11 januari 2011).Geraadpleegd op 12 januari 2011.
  4. Morrow, G., Nicol, S.C. (2009).Cool Sex? Hibernation and Reproduction Overlap in the Echidna. PLoS ONE 4(6):e6070.DOI:10.1371/journal.pone.0006070.