- been·stuk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beenstuk | beenstukken |
| verkleinwoord | beenstukje | beenstukjes |
hetbeenstuko
- (kleding) (deel van) een kledingstuk dat het been bedekt
- ▸De gewezen Beer van Lemmer, 52 inmiddels, had nimmer kunnen bevroeden dat het antwoord daarop in zoiets onbenulligs zou schuilen als het beenstuk van een schaatspak dat niet aansluit op de schoen van de schaats.[2]
- Het woord beenstuk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ 👁 Bronlink geraadpleegd op 17 maart 2023
Weblink bronLuuk Blijboom“Ritsma ondanks drama tevreden over WK-debuut, maar: 'Moet iets gebeuren voor laatste stap'”(Zaterdag 4 maart, 09:35), NOS
Overgenomen van "https://nl.wiktionary.org/w/index.php?title=beenstuk&oldid=5469283"
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Kleding in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
