VOOZH about

URL: https://nl.wiktionary.org/wiki/been

⇱ been - WikiWoordenboek


Naar inhoud springen
Uit WikiWoordenboek
👁 Image
[1] Been
  • been
[A 1] enkelvoud meervoud
naamwoord been benen
verkleinwoord beentje beentjes
A 2] enkelvoud meervoud
naamwoord been beenderen
verkleinwoord beentje beentjes[

[A]hetbeeno

  1. (anatomie) ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen, meestal specifiek met betrekking tot het menselijk lichaam
    • Een mens heeft twee benen terwijl een hond vier poten heeft.
    Na het nemen van de afslag ziet de weg naar boven er nog even mild uit, maar dan begint het asfalt al snel te welven. Er is minder dan een handvol haarspeldbochten, maar de hellingsgraden slopen de eerste reserves uit de benen.[7]
  2. (anatomie) bot, zelfstandig onderdeel van een geraamte
    • Een volwassen mens heeft ongeveer 200 beenderen.
  3. (anatomie) stof waaruit benen/botten bestaan
    • Been is hard door het kalk wat erin zit.
  • (Nog) goed ter been zijn
(Nog) kwiek zijn.
  • Als twee honden vechten om een been, loopt de derde er mee heen
als twee personen ruzie hebben of er niet uit komen, kan een derde daarvan profiteren
  • Dat is een blok aan mijn been
Dat maakt het me lastig.
'Papa noemt ze haar "donderwolken", maar dat is gewoon een aardige manier om te zeggen dat ze een blok aan ons been is.[8]
  • De benen nemen
Gauw weglopen, vluchten.
  • Door merg en been gaan
hartverscheurend zijn
  • Een blok aan het been hebben
niet vrij zijn en niet kunnen doen en laten wat iemand wil vanwege iets
  • Ergens geen been in zien
ergens geen probleem in zien
  • Geen been aan de grond krijgen
voorstel werd niet aangenomen
  • Het been stijf houden
vast houden aan wat iemand zelf wil zonder hierin te veranderen
  • Het zijn sterke benen die weelde kunnen dragen
In tijden van weelde gaat men zich gemakkelijk te buiten.
  • Iemand op de been houden
Iemand (figuurlijk - financieel, etc.) ondersteunen.
  • Iemand op het verkeerde been zetten
Iemand bewust misleiden.
  • Leugens hebben korte benen
met een leugen schiet iemand niets op, na verloop van tijd komt de waarheid altijd naar buiten
  • Met beide benen op de grond staan
Realistisch zijn.
  • Met een been in het graf staan
Afgeleefd zijn, op sterven na dood zijn.
  • Met het verkeerde been uit bed gestapt zijn
Een slecht humeur hebben.
  • Nog niet op eigen benen kunnen staan
nog niet zichzelf volledig zelfstandig kunnen redden
  • Op de achterste benen staan
erg kwaad worden
  • Op één been kun je niet staan
Schertsend gezegde wanneer iemand een tweede glas (meestal alcoholhoudende drank) wordt aangeboden.
  • Pap in de benen hebben
de benen willen niet meer vooruit
  • Steen en been klagen
heel erg klagen
  • Vel over been zijn
erg mager zijn
  • Zich de benen uit het lijf lopen
Ergens heel erg veel moeite voor doen.
  • een blok aan iemands been zijn
iemand ten laste zijn
  • aan een been knagen[9]
langdurig vergeefs bezig zijn
1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
vervoeging van
benen

[A] been

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benen
    • Ik been.
  2. gebiedende wijs van benen
    • Been!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van benen
    • Been je?
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord been baniem
verkleinwoord - -

[B]debeenm

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) zoon (alleen in onderstaande verbindingen)
98%van de Nederlanders;
99%van de Vlamingen.[10]

been been

  1. voltooid deelwoord van be


been

  1. been; ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
  2. bot, been; zelfstandig onderdeel van een geraamte

been

  1. (anatomie) been