| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| bound | bounds |
bound
- afbakening, begrenzing, lijn [1]
- «The ball went out of bounds.»
- De bal ging buiten de lijnen.
- «The ball went out of bounds.»
- sprong
bound
[B] bound
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| rough | rougher | roughest |
bound
- ~to op weg naar
- zeker; een vaststaand lot tegemoet gaand, gedoemd
- «This is bound to fail.»
- Dit gaat zeker mislukken/Dit is gedoemd te mislukken.
- «This is bound to fail.»
- verplicht
- vastbesloten, vastberaden
- (taalkunde) gebonden [4]
Overgenomen van "https://nl.wiktionary.org/w/index.php?title=bound&oldid=4967410"
