- klein·geld
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kleingeld | - |
| verkleinwoord | - | - |
hetkleingeldo
- geld in kleine coupures, vooral in munten
- Hij heeft altijd wel kleingeld in zijn zakken zitten.
- Het woord kleingeld staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "kleingeld" herkend door:
| 98% | van de Nederlanders; |
| 99% | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ kleingeld op website: Etymologiebank.nl
- ↑ 👁 Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Overgenomen van "https://nl.wiktionary.org/w/index.php?title=kleingeld&oldid=4777471"
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bezieldheid: niet geanimeerd
- Metadomein: abstract
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %
