VOOZH about

URL: https://nl.wiktionary.org/wiki/tand

⇱ tand - WikiWoordenboek


Naar inhoud springen
Uit WikiWoordenboek
  • tand
enkelvoud meervoud
naamwoord tand tanden
verkleinwoord tandje tandjes

detandm

  1. (anatomie) harde en wittige gecalcificeerde structuur in de mond van mensen en veel dieren, hoofdzakelijk gebruikt voor het kauwen van voedsel
    • Heb jij gaatjes in je tanden?
    • Ik had geen tand meer in mijn mond.
  2. (techniek) een uit een reeks meestal hoekige of scherpe uitsteeksels aan bepaalde voorwerpen, zoals zagen of tandwielen
    • De tanden van een zaag.
    Vraag het aan Gentenaar Geert Claus, uitbater van frituur Emily’s, hoe zwaar het is. Hij legt de laatste meters te voet af, met de fiets aan de hand. ‘Een paar tandjes te weinig, een paar kilootjes te veel.’[3]
De achteruitgang en verwoesting waar alles en iedereen op den duur onder lijdt
  • De tanden laten zien
Zich heel erg fel verdedigen
  • Een tandje bijsteken
Extra je best doen
Het aanpakken van zwart geld bij buitenlandse banken is voor staatssecretaris FransWeekers (Financiën) al jaren een speerpunt. Maar door de berichten over geheime rekeningen in belastingparadijzen gaat hij er nog „een tandje bijsteken”. [4]
Al in de aanbevelingen van de onderzoekscommissie 22/3 rond terrorisme stond dat de gevangenissen een tandje moesten bijsteken en meer deradicaliseringsprogramma’s en opleidingen voor extremistische gedetineerden moesten aanbieden. ‘Ook de religieuze en spirituele ondersteuning kan beter.’ [5]
  • Haar op de tanden hebben
Erg moedig zijn in het geven van een mening/ Bazig zijn
  • Het mes tussen de tanden hebben
Zich keihard voor iets inzetten omdat er heel veel op het spel staat (vaak in de vorm met het mes tussen de tanden)
  • Iemand aan de tand voelen
Op een strenge manier ondervragen (oorspronkelijk: de leeftijd en gezondheid van paarden onderzoeken, middels inspectie van het gebit)
  • Met de mond vol tanden staan
Niet weten wat je moet zeggen/ergens versteld van staan, vaak in een situatie die dit gênant maakt
  • Met lange tanden eten
Met tegenzin eten, kieskauwen
  • Op de tanden bijten
Zich bedwingen om zijn gevoelens niet te tonen.
  • Tot de tanden bewapend/gewapend zijn
Van allerlei soorten wapens voorzien zijn
  • Van de hand in de tand leven
Zo gauw iets verdiend is het meteen weer uitgeven
Zich heftig tegen iets dat ophanden is verzetten en er alles aan doen om het niet te laten doorgaan
  • Zijn tanden in iets zetten
Zich intensief met iets bezig (gaan) houden
  • Zijn tanden op iets stukbijten
Ondanks alle inspanning iets niet bereiken
  • Die de minste tanden hebben, kauwen het meest
Mensen die het minste van iets weten, hebben vaak wel het meest te vertellen
  • Liggen de handen, dan liggen de tanden
Als je niet werkt, heb je ook niets te eten
vervoeging van
tanden

tand

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanden
    • Ik tand.
  2. gebiedende wijs van tanden
    • Tand!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanden
    • Tand je?
100%van de Nederlanders;
100%van de Vlamingen.[6]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. tand op website: Etymologiebank.nl
  3. 👁 Bronlink
    Weblink bron
    Rob Gollin
    “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht”(10 juli 2019), de Volkskrant
  4. Reformatorisch Dagblad 05-04-2013 Aanpak zwart geld speerpunt voor Weekers
  5. De Standaard 05/06/2018 om 19:07 door rdc Vlaanderen schakelt imams in voor deradicalisering ex-gedetineerden
  6. 👁 Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020
    Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • tand

tand g

  1. tand
tand enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief tand tanden tänder tänderna
genitief tand tanden tänder tänderna