- tand·loos
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | tandloos | tandlozer | tandloost |
| verbogen | tandloze | tandlozere | tandlooste |
| partitief | tandloos | tandlozers | - |
tandloos
- zonder tanden
- Het jonge kind is nog tandloos.
- Het oude vrouwtje is tandloos.
- Het woord tandloos staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "tandloos" herkend door:
| 96% | van de Nederlanders; |
| 95% | van de Vlamingen.[1] |
- ↑ 👁 Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Overgenomen van "https://nl.wiktionary.org/w/index.php?title=tandloos&oldid=5352058"
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -loos in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 96 %
- Prevalentie Vlaanderen 95 %
Verborgen categorie:
