VOOZH about

URL: https://nl.wiktionary.org/wiki/zomer

⇱ zomer - WikiWoordenboek


Naar inhoud springen
Uit WikiWoordenboek
zomer
  • zo·mer
  • In de betekenis van ‘jaargetijde’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236 [1]
  • Verwant met het Oudindische sama (jaargetijde, jaar). [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord zomer zomers
verkleinwoord zomertje zomertjes

dezomerm

  1. (meteorologie) jaargetijde tussen lente en herfst
    De hemel van de zomer verjaagt het zuur van de stad, zong Charles Trenet al: 'Wij zijn gelukkig, Route Nationale 7.'[3]
    In het woestijndorp Agua Dulce, 725 kilometer van de Mexicaanse grens, bleef ik drie nachten logeren in de tuin van de Saufley’s, een familie die al 20 jaar Trail Angels zijn en hun tuin de hele zomer open stellen voor PCT-hikers.[4]
lentevoorjaarzomerherfstnajaarwinter
ochtend
morgen
lenteochtend
lentemorgen
voorjaarsochtend
voorjaarsmorgen
zomerochtend
zomermorgen
herfstochtend
herfstmorgen
najaarsochtend
najaarsmorgen
winterochtend
wintermorgen
middag lentemiddagvoorjaarsmiddagzomermiddagherfstmiddagnajaarsmiddagwintermiddag
avond lenteavondvoorjaarsavondzomeravondherfstavondnajaarsavondwinteravond
nacht lentenachtvoorjaarsnachtzomernachtherfstnachtnajaarsnachtwinternacht

Één zwaluw maakt nog geen zomer.

  • Slechts één positief teken duidt nog niet op een volledig herstel, volledige winst enz.

De zomer is dood.

  • De zomer is voorbij (o.a. in Voorstad van Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot).
1.
100%van de Nederlanders;
100%van de Vlamingen.[5]